Stemmen tegen Europa: hoe doe je dat?

Vuist - Foto Flickr bruckerrlbDe verkiezingen voor het Europees Parlement van volgend jaar moeten aantonen of burgers nog vertrouwen hebben in de Europese instituties. Dit stelt Joop Hazenberg, schrijver en oprichter van de denktank Next Generation for Europe, op Trouw.

Eigenlijk neemt Hazenberg in zijn betoog al aan wat het antwoord van de Europese burger zal zijn. Hij wijst  op een recent onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau: 28 procent van de Nederlanders geeft hierin aan nog vertrouwen te hebben in het Europese project. Cijfers uit Spanje tonen een vergelijkbare trend. Dit is inderdaad geen best vooruitzicht, maar Hazenberg vergeet de betekenis hiervan in een bredere context te plaatsen. Voor de gehele EU geldt namelijk dat burgers nog altijd meer vertrouwen hebben in de Europese Unie dan in het nationale parlement of de regering, blijkt uit cijfers van de Eurobarometer (pagina 9).

Hazenberg noemt vervolgens enkele oorzaken voor de daling van het vertrouwen in de EU. De gebrekkige kennis over het Europese besluitvormingsproces bij zowel burgers als nationale politici leidt tot een gebrekkige legitimiteit. Het onvermogen van nationale en Europese instituties om de crisis op te lossen, komt daar nog eens bij. Ook dit doet volgens Hazenberg het vertrouwen van de burger in Europa geen goed.

“Wat met name de EU bij het bestrijden van de crisis parten speelt, is dat er een groot institutioneel gat bestaat. Er is indertijd een monetaire unie opgezet, maar geen parallelle politieke unie opgetuigd. Om dat verzuim goed te maken, worden er door EU voortdurend pogingen ondernomen om de bevoegdheden van de Europese Commissie te verruimen.” Een voorbeeld hiervan zijn de adviezen die de Europese Commissie afgelopen week gaf aan verschillende eurolanden over hun jaarlijkse begroting. Naar de exporteconomie van Duitsland komt zelfs een onderzoek.

Bij Hazenbergs uiteenzetting rijst de vraag welke verkiezingsuitslag volgend jaar geïnterpreteerd moet worden als een uitslag tégen Europa, als een motie van wantrouwen tegen de Europese instituties. Is dat bijvoorbeeld (in het theoretische geval) wanneer de anti-Europa-partijen zoals de PVV, Front National en UKIP een meerderheid van de zetels in het Europees Parlement weten te veroveren? Als Europese kiezers massaal op deze partijen stemmen, kun je dat immers ook opvatten als een teken van vertrouwen in de Europese instituties. De burger denkt zo met zijn stem het beleid van Brussel te kunnen veranderen. Hij kiest daarmee namelijk voor de Europese democratie en niet voor de (spreekwoordelijke) vuist.

Maar bij welke verkiezingsuitslag zou je dan moeten spreken van ‘een motie tegen Europa’? Moet daarvoor het opkomstpercentage in de verschillende lidstaten nog lager kom te liggen dan de 43 procent uit 2009?

Foto: Flickr/bruckerrlb

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *