Waarom liggen opkomstpercentages in Oost-Europa zo laag?

Bratislava - Foto Flickr  Miroslav PetraskoIn welk land kwam vorig jaar bij de Europese Parlementsverkiezingen slechts 13.05 procent van de kiezers opdagen?

Nee, dat gebeurde niet bij de eurosceptische Britten. Juist in Slowakije, het land dat sinds 2004 bij de EU zit, bleef in 2014 de kiezer massaal thuis.

‘Waarom is een lage opkomst erg?’, kreeg ik te horen toen ik voor De Correspondent een stuk schreef over niet-stemgedrag bij de Provinciale Statenverkiezingen. Een terechte vraag. Opkomstpercentages vallen niet in ieder land en bij iedere verkiezing te problematiseren. Ze zijn dus lang niet altijd interessant voor een verhaal. Kiezers kunnen hele goede redenen hebben om thuis te blijven. Je hoeft daarom lang niet altijd te spreken van een ‘zwarte dag voor de democratie’.

Maar toch, een opkomst van 13.05 procent betekent in Slowakije (met 4.5 miljoen kiezers) dat een partij 44.000 stemmen moet halen voor één zetel in het Europees Parlement. In Nederland heeft een partij bijna vier keer zoveel stemmen nodig (173.000). In tegenstelling tot wat je vaak hoort, krijgen juist kleine landen een onevenredig grote invloed in het Europees Parlement. Ga maar na: 13 Europarlementariërs in Slowakije  zijn gekozen door 576.000 kiezers – de 26 Nederlandse Europarlementariërs door 4.5 miljoen kiezers.

Keuze voor de kiezer
Er is nog een ander probleem dat heeft te maken met de verschillen tussen partijen in hun opvattingen over Europa. Britten konden bij de laatste Europese verkiezingen kiezen tussen een partij die uit de EU wil (UKIP), een partij die misschien uit de EU wil (de Conservatieven van premier Cameron) en een partij die zeker niét uit de EU wil (Labour). Voor de kiezer is dat overzichtelijk. In Nederland polariseerde het debat op een vergelijkbare manier. Partijen wilden meer (D66 en GroenLinks) of minder (PVV en SP) Europa – of iets er tussenin. Hoewel deze tegenstellingen veel nuance in het debat wegnemen, krijgt de kiezer wel meer te kiezen.

In veel Oost-Europese landen ontbreken deze smakenverschillen. Logisch: in 2004 traden tien voormalig Oostbloklanden toe die allemaal jarenlang moeite hebben gedaan om het EU-lidmaatschap te verkrijgen. Een eurosceptische partij in Slowakije moet dus een héél goed verhaal hebben aangezien het hele establishment jarenlang moest overtuigen van de voordelen van het lidmaatschap. Hoe kan een partij dan ineens tegen ‘meer Europa’ zijn?

Europese Grondwet
De blog EUobserver noemt het de Slowakije-paradox: burgers staan uit enthousiasme over de EU onverschillig tegenover de verkiezingen van de EU. Het is toch allemaal goed, we willen toch allemaal meer Europa? Daarentegen zijn Slowaken veel negatiever over hun nationale regeringsbeleid, onder andere vanwege de corruptie in het systeem. Daar hebben kiezers meer te winnen en liggen de opkomstpercentages hoger.

Volgens de auteurs van het boek De wankele democratie verschilden in Nederland tot aan 2004 partijen ook nauwelijks over Europa. Pas na de verkiezingen van 2004 en het referendum over de Europese Grondwet, spraken meer partijen zich kritisch uit over waar de EU wél en niet heen moest. Sinds het begin van de eurocrisis in 2009 is deze ‘diversiteit in smaken’ alleen maar toegenomen.

Foto: Bratislava/Flickr: Miroslav Petrasko

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *