Waar zijn de Grote Verhalen van de 21ste eeuw?

Einstein - Foto Flickr Wally Gobbetz

Verbeelding lijkt de ultieme deugd van de moderne tijd. Een wetenschapper komt vanzelf op een briljante ingeving door ‘out of the box’ te denken, is de heersende gedachte. Hoezeer verbeelding afhankelijk is van Grote Verhalen, blijft daarmee buiten beeld.

“If you want to save Peru, go and save Peru!” zei John Lennon ooit. Als alles mogelijk is, moet je vooral niet dralen, meende de in 1980 vermoordde zanger en gitarist van The Beatles. Wacht niet op leiders die het voortouw nemen, maar vertrouw op de onbegrensde mogelijkheden die je verbeelding jou geven. Ga zelf een land redden, als je denkt dat je het kan. Daarmee verwoordde Lennon vrij nauwkeurig het hedendaagse sentiment dat hangt rondom creativiteit en verbeeldingskracht als dé essentiële 21ste century skills.

Uiteraard zijn verbeelding en creativiteit onmisbaar om op originele ideeën te komen. Tegelijkertijd kan te veel verbeelding afleiden of je voor onverwachte verrassingen zetten. Een kortgebroekte tiener die na zijn examens economie en geschiedenis met zijn Eastpackrugzak in Lima aankomt, merkt gauw genoeg dat hij meer nodig heeft dan een portie verbeelding om heel Peru te redden. De vraag luidt dus: wanneer brengt verbeelding wetenschap en samenleving verder?

Verbeelding is het vermogen je een voorstelling te maken van hoe een verhaal is ontstaan en verder kan gaan. Aan de grondslag van verbeelding moet een filosofie liggen; een overtuiging die toont hoe belangrijke gebeurtenissen of ontdekkingen in één verhaal met elkaar kunnen samenhangen.

Steven Johnson maakt in zijn boek Where Good Ideas Come From een vergelijking tussen de ontwikkeling van de wetenschap en een huis met open en gesloten deuren. Voor goede ideeën (lees: ideeën die de samenleving verder helpen) moet je niet per se vooruit kijken, naar de ideeën die zich op de zolderkamer van het huis bevinden, stelt hij. Wanneer het onderzoek, op het terrein van bijvoorbeeld elektronica, zich nog slechts in het voorportaal van het huis bevindt, kun je beter onderzoeken hoe je met de beschikbare middelen één deur verder kan komen.

Als voorbeeld haalt Johnson Charles Babbage aan. De uitvinder voltooide rond 1837 zijn schetsen voor een Analytical Engine, een mechanische voorloper van de moderne computer waarbij gebruikers zelf konden bepalen voor welk doel zij het apparaat wilden gebruiken. Babbage werkte tientallen jaren aan de bouw van zijn machine, maar kreeg haar nooit af door een gebrek aan de juiste onderdelen. Niet heel gek: in zijn ontwerp moesten hefbomen en tandwielen de computer aandrijven. Eigenlijk was de uitvinder zijn tijd ver vooruit: de Brit wilde – middenin in het tijdperk van de stoommachine – een machine bouwen voor het elektrische tijdperk. Door zijn overschot aan verbeelding, dacht hij alleen maar aan de zolderkamer, drie verdiepingen boven hem, en zag hij dat niet de voorwaarden ontbraken om zijn Analytical Engine te bouwen.

Om nieuwe deuren te openen is, naast verbeeldingskracht, een bijzonder inzicht in het huis van de wetenschap nodig. Een ideologie over waar we ons bevinden en waar de samenleving heen zou kunnen gaan. In een tijd dat Big Data, een deeltjesversneller in Geneve of een ruimtesonde nabij Pluto ons overspoelen met informatie, groeit de behoefte aan Grote Verhalen die uitnodigen na te denken waar we techniek en wetenschappelijke inzichten voor willen gebruiken. Zij geven ons een antwoord op de vraag welke deuren open moeten en welke maar beter gesloten kunnen blijven.

Het beste voorbeeld van een moderne Grote Verhalenverteller is Thomas Piketty met zijn boek Kapitaal in de 21ste eeuw. Door niet alleen een economisch verhaal te vertellen, maar ook niet-economische inzichten uit de sociologie, geschiedenis en literatuur erbij te betrekken, slaagde de Franse econoom met zijn verhaal over ongelijkheid als natuurwet een veel groter publiek te bereiken. Niet vanwege de behoefte aan kennis, maar de behoefte aan één overkoepelende ideologie kon zijn boek over ongelijkheid van bijna zevenhonderd bladzijdes uitgroeien tot een bestseller.

Grote Verhalen geven sturing aan de wetenschap en zijn de voedingsbodem voor verbeelding, voor nieuwe inzichten die leiden tot nieuwe verhalen. Noem het een verlangen naar universele waarden of alles waarvoor mensen zich tot een religie bekeren: zonder dat verlangen naar een antwoord op de vraag waar wetenschap ons naartoe moet leiden, is wetenschap de mens de baas.

Verbeelding is belangrijker dan kennis, stelde Albert Einstein. Maar om met verbeelding daadwerkelijk de wetenschap verder te brengen, hebben we mensen nodig die via Grote Verhalen met elkaar in debat gaan. Het huis van de wetenschap is geen huis, maar een wolkenkrabber en heeft daarom altijd behoefte aan dat schuine oog naar boven gericht, op meer. Zoals Albert Einstein ook zei: “Er zijn maar twee dingen oneindig: het universum en de menselijke domheid. Alleen van het universum weet ik het niet zeker…”